Skip to main content

Full text of "Watapana - November 1968 - Literair Tijdschrift van de Nederlandse Antillen"

See other formats


I 




WATAPANA 




WATAPANA 

verschijnt driemaal per jaar 


REDAKTIE 

H. HABIBE, MEVR. G. PESTANA, O. KWAS, A. DAAL 


SEKRETARIAAT 
H. HABIBE 
MALVERT 67 - 55 
NIJMEGEN, NEDERLAND 


ABONNEMENT 

per jaargang f. 7,~(Ned.) 

Voor de Antillen N.A. f. 5,- 
Girorekening 1634245 

Men kan zich uitsluitend abonneren voor de gehele jaargang 


WATAPANA 


LITERAIR TIJDSCHRIFT VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN 
Jaargang I Nr. 2 November 1968 




1 


■ 


MEDEDELING 


Direct na het verschijnen van het eerste nummer van "Watapana" (juli '68), 
hebben wij de medewerking toegezegd gekregen van Sticusa, waarvoor wij 
onze oprechte dank willen betuigen. 

Van verschillende instanties, zowel in Nederland als in de Antillen, hebben 
wij gelukwensen mogen ontvangen met het oprichten van dit blad. Verder is 
van een groep mensen reeds hun jaarlijkse contributie binnengekomen. 

De stimulerende uitwerking van dit alles is niet uitgebleven: 
wij kunnen voorlopig blijven draaien. 

Met Uw aller medewerking zullen wij proberen dit blad zo lang mogelijk in 
leven te houden. Niet alleen Uw jaarlijkse contributie is daarvoor een vereiste, 
maar ook eventuele copij. 

Wat dit laatste betreft, denken wij voornamelijk aan die groep jongeren in de 
Antillen, die zich de laatste tijd zo actief bezighoudt met het zoeken naar de 
eigen identiteit. 

Uw copij (bv. gedichten, lit. essays en kritieken, artikelen over de Antilliaan¬ 
se schilderkunst en muziek) hoeft niet in het Nederlands, doch kan ook in het 
Spaans of Papiamento gesteld worden. Vergeet niet dat "Watapana" een 
Antilliaans tijdschrift is! ! 

Tenslotte willen wij U mededelen, dat wij van de linguïstische verhandeling 
"Orfgenes y evolución del Papiamentu", waarvan de eerste aflevering in dit 
nummer is opgenomen, een korte samenvatting in het Nederlands hopen te 
geven in een volgend nummer. 


Redactie 











2 


MALESA 


Un herida 

ta grawatá 

den entraña di te ra 

i vruminga 

ta maltratá 

tur SU kara di lepra: 

watapana 

ta pidi pan 

den un mondi na jaga 

i warawara 

ta pipitá 

den un shelo di plata. 


Henry Habibe 


LANTA PARA, WATAPANA! 


Lanta para, watapana! 

Baha barank'i nostalgia 
fo'i bo lomba, 
doblá te na tera. 

Lanta bo kurpa na laria, 
manera kadushi di sabana, 
hankrá den trankera. 

Lanta para, watapana! 
Pinta un indján den bo kara 
i klaba bo fléchanan 
den e shelo di plata. 

Ranka vigor fo'i bo brasa 
i graba viktoria den 
bo palo bi bandera. 


Henry Habibe 






3 


SI NOS ALMA SKUCHA 


Si nos alma skucha. . . 
kwántu kos 1'é n'komprendé; 
kwántu pensamentu tristu, 
sin speransa i sin lus, 
lo no para bira 
fwente di legri'a, lus i fe 
ku ta konsolá i duna bida. 

Den nos móndinan privá 
di bërdë, lo nos mira 
man di Dios i su poder 
ora awa kai i solo para 
pinta anglo riba kweru 
di nos tera maltratá. . . 

Kón manera un artista, 
lagadishi ku su rabu 
kje bin' toka un serenada 
riba wiri di un blachi 
ku a seka bbw 'i un palu; 
bf zonido den djanochi 
di mil kriki ku ta parse 
stêm di Dios den skuridat, 
pa nos sá ku, asta, ej 
tin bejesa, si nos skucha; 
den kantika'i jonkumán 
di nos bjentu ’i ost baldadi, 
ku ta hunga kuri-kwé 
ku SU mes den un mondi 'i datu 
o den palu di maishi 
ora nochi ta baj sera, 
o maïhta ora un tbw di para 
para blbr na kant'i dam 
unda nan ta jega bon temprán 
pa bin bebe, baña i bati 
bleki, promé solo bolbe sali. 

I ora nübjanan aja 'riba 
blanku-blanku, sin purá, 
krusa un shelu blbw i kla, 
tá manera man di Dios 
ku ta skirbi su grandesa 
déntr di nos kurasón, 
si nos alma sá di skucha. . . 


Luis H 


Daal 






4 


Luis Daal in poëtisch perspectief 


In 1963 maakt Luis Daal, voor zover ik weet de eerste en tot nu toe de enige 
mysticus onder de Antilliaanse dichters, zijn debuut als dichter; hij doet dit 
met een gedichtenbundel, waaraan hij de titel "Kosecha di Maloa” geeft. 
"Maloa" is een soort mal's, dat snel wast en dus vroeg geoogst wordt en dat 
als voer gebruikt wordt voor de dieren. Wij zouden dus deze titel vrij kunnen 
vertalen met 'Vroege marsoogst”. 

Deze bundel omvat een vijftigtal gedichten in het Papiamento, gedichten waar¬ 
uit soms een sterk individualisme spreekt in de trant van Guido Gezelle. 

De bundel bestaat uit vier delen: wortel, stam, blad en bloem. Vooral het 
eerste deel verdient de aandacht, omdat de dichter daarin een beschrijving 
geeft van de bouwstenen van zijn gevoelsleven. Zeer suggestief weet hij de 
ontwikkeling van een mensenleven te schetsen. Zo zien we hem in het eerste 
gedicht "Bbwtismo" (Doopsel) a. h. w. geboren worden op een eiland in de 
Caribische Zee. 

In het tweede gedicht richt hij zich tot zijn vader, zijn goddelijke Vader, met* 
zijn "Orashón di tur dfa", zijn gebed van elke dag. 

Het derde gedicht, dat een synthese is van een hard leven op aarde met opof¬ 
feringen, m.a.w. offers, getuigt van een zeer humane levensbeschouwing. In 
de tweede strofe daarvan heeft de dichter het over "een geruite vloer, bestaan¬ 
de uit witte en zwarte vierkanten", waarmee hij waarschijnlijk duidt op de 
noodzakelijke samenwerking tussen de verschillende rassen. 

En in het vierde gedicht is het alsof zijn goddelijke Vader zich tot hem wendt 
om hem aan te sporen zijn "Lus di adéntr", zijn innerlijk licht, te laten bran¬ 
den, het licht, dat hij diep in zich heeft en dat hij alleen kan ontsteken. 

Het vijfde gedicht "Te aworó, lamán", is een afscheidslied, waarin hij afscheid 
neemt van het eiland om er weer op terug te komen in het daaropvolgende ge¬ 
dicht "Bida ripiti"". 

"Bida ripitf", een leven dat zich herhaald heeft, een wederervaren van een 
vroeger leven, m.a.w. een zinspeling op zielsverhuizing, een thema dat Daal 
trouwens ook aan de orde stelt in zijn gedicht in het Nederlands "Zielsverhui¬ 
zing". 

Uit de laatste gedichten van het eerste deel spreekt een duidelijk doodsbesef; 
de dichter confronteert zich met de dood. Hij heeft dan reeds een groot ge¬ 
deelte van zijn leven achter de rug, kent het leven.en zichzelf. Hij bereidt 

zich nu voor op de dood. In "Morto deseá" (Verlangde dood) spreekt hij de wens 
uit stil en onopvallend te mogen sterven, buiten in de vrije natuur, zoals een 
veldbloem dat doet. 

De dichter heeft hier een heel bijzondere sfeer geschapen. 

Dit gedicht ademt niet de weemoedige en beangstigende stemming van "Atardi" 
(Schemering), het eerste gedicht, dat in het Papiamento geschreven werd door 
J. S. Gors en. 

Integendeel, Luis Daal is rustig gestemd, niet droefgeestig, maar sereen, 
ontspannen, omdat hij, na zijn dood, een nieuw leven verwacht, zoals hij laat 
uitkomen in het gedicht "Kaminda largu", de lange Weg. 

Een opvallende trek in het poëtisch oeuvre van Luis Daal is het feit, dat hij 
oog heeft voor het leven van al het kleine. Als hij b. v. in het zojuist genoemde 
gedicht "Verlangde dood" in het natte gras ligt (zijn doodsbed) en opziet naar 
de sterrenhemel, wordt hij niet de oneindigheid gewaar, als wel de veelheid 
van die lichtjes : zij zullen zijn doodskaarsen zijn. 

De wind zal dan de enige stem zijn, die om zijn dood weent en "de tranen van 
de avonddauw" - zegt hij - "zullen over zijn aangezicht lopen". 

In die ontroerend schoon getekende eenzaamheid zal zijn lijk tot as moeten 





5 


vergaan en een deel van de wind gaan uitmaken. 

Met het gedicht ’'Si nos alma skucha" (Als onze ziel eens luistert), besluit 
Luis Daal het eerste deel van zijn bundel. Het is één van de mooiste gedichten 
uit de hele bundel, al moet hier opgemerkt worden, dat er enkele storende 
elementen in voorkomen. 

In dit gedicht merken wij eerst goed, hoe scherp het waarnemingsvermogen 
van de dichter eigenlijk is. Het is alsof hij ons daar wil wijzen wáár we het 
geluk moeten zoeken. Menigeen ziet het leven als een aaneenschakeling van 
bloedvergieten en gewelddaden. Pierre Lauffer, een tijdgenoot van Luis Daal, 
heeft eens in een gedicht gezegd, dat het leven "een wond" is. "Je tobt ermee, 
wast en verzorgt het, ziet het opgroeien en tenslotte in je hand wegrotten naar 
de dood toe. ..." 

Maar Luis Daal beschouwt dit aardse leven met de ogen van het geloof en van 
de bovennatuurlijke liefde. Hij probeert ons de andere kant - de goede kant - 
van het leven te tonen. Als een Guido Gezelle bij zijn "Ruischend, ranke riet" 
begeeft ook hij zich naar de stille plekken van de "kunuku", opdat God zich 
daar op een meer voelbare wijze openbaart aan zijn ziel. 

Wat een schoonheid, wát een geluk vindt men juist op deze kale, uitgedroogde 

plekken.als onze ziel maar luistert! 

Het gedicht begint met een overweging: 

Als onze ziel eens luistert. 

wat zou ze allemaal niet begrijpen, 
hoeveel sombere gedachten, 
zonder hoop en zonder licht, 
zouden niet een geluksbron worden, 
licht en geloof, 

die vertroosting en leven schenken. 

Vervolgens de waarneming en de beschrijving van de natuur: 

In onze velden, beroofd van groen, 
zullen wij God’s hand en macht zien, 
wanneer het geregend heeft en de zon 
paardenbloemetjes staat te schilderen 
op de huid van ons verwaarloosde eiland. 

's Nachts lijkt het alsof het gezang van duizenden krekels de dichter met de 
stem van God vervult. En als de nacht voorbij is en de prachtige witte wolken 
de helderblauwe hemel langzaam doorkruisen, is het alsof God Zijn grootheid 

in zijn hart aan het schrijven is.als onze ziel eens luistert! 

Het is jammer, dat hier een woord als "baldadi", dat zoiets als ondeugend 
betekent en dat als adjectief gebruikt wordt bij de wind, bepaald uit de toon 
valt. Verder stoort een versregel als: 

"un tbw di para para blèr. ... ", een stelletje vogels staat te schreeuwen. 

Dit doet, volgens mij, afbreuk aan het geheel van dit zeer verheven onderwerp, 
omdat deze woorden een naar het vulgair neigend beeld voor de geest roepen. 
Maar ondanks deze minder doeltreffend gekozen woorden, is dit m.i. één van 
de mooiste gedichten uit de hele bundel en blijven we hier te maken hebben met 
een dichter, die in de landstaal van de Antillen, het Papiamento, enkele zeer 
tedere, innig doorvoelde godsdienstige verzen heeft gegoten. 

Een dichter, die uiting heeft weten te geven aan zijn persoonlijk doorleefde 
gevoeligheid: gevoeligheid t. o. v. de waargenomen natuur, t. o. v. de eigen 
zielsbewegingen, t.o.v. God. 


H. Habibe 









6 


Worsteling om God 


Ons levens strijdperk dan is hier beneden 
in bns; de strijd, ons dorsten naar het Licht; 
maar onbewust verweeft de strijder zich 
van meetaf aan met hem die wordt bestreden. 

Dit moeizaam zoeken naar Gods aangezicht, 
is soms bewust omlijnd, dan vaag verweven 
met deze kruistocht van de ziel, een streven 
onzegg'lijk groots, een zucht naar ruimer uitzicht. 

Vertwijfeld door 't besef slechts mens te zijn 
en God in sluimer in zichzelf te weten, 
ontspruiten ons twee vleugels en een keten 

die slechts te slaken is door zielepijn, 
geen foltering maar wapen onvolprezen 
in deze worsteling om Gods te wezen. 


Luis H. Daal 


Zielsverhuizing 


De varens sterven in de herfst 

en van hun weelderig bestaan 

blijft slechts de knoest, de wortel over. 

Ook van het leven van de mens 

is het de Kiem die immer blijft. . . 

Wat weten varens in de lente 
van gindse ver gevloden leven 
in een voorbije herfst zo vaag? 

Leefden ze toen of is het nu 
dat zij bewust dit lot beleven? 

Zo ook, wat weet de mens, gejaagd 
en opgejaagd, van vroegere levens 
wanneer zijn voorjaarsmensbewustzijn 
helaas hem scheidt van gene herfst 
waarin hij als een varen stierf 
om in dit voorjaar te ontwaken, 
herboren uit de Kiem die blijft? 


Luis H. Daal 






7 


Letterkunde in de Nederlandse Antillen in het Nederlands. 

Wanneer ik nu de Nederlandse school in de Antillen ga behandelen, wil ik mij 
beperken tot de voornaamste Antilliaanse schrijvers, die hun gedachten en 
gevoelens in het Nederlands aan het papier hebben toevertrouwd. In de eerste 
plaats moet worden genoemd de schrijver-dichter Colá Debrot, niet om pro- 
tocolaire motieven - hij is thans gouverneur van de Nederlandse Antillen - 
maar omdat hij kan worden beschouwd als een pionier, die reeds in 1934 de 
Nederlandse litteratuur heeft verrijkt met "Mijn zuster de negerin", een no¬ 
velle waarvoor Menno ter Braak het predikaat "Meesterlijk" heeft gehanteerd. 
Ik kan mij nog steeds niet aan de indruk onttrekken dat de warme ontvangst, die 
dit boek ten deel is gevallen in de Nederlandse litteraire wereld de schrijver, 
om zo te zeggen, de stuipen op het lijf heeft gejaagd. De Antilliaan laat zich ' 
nl. ^niet graag in het hart kijken en de grote kracht van "Mijn zuster de nege¬ 
rin acht ik^j'uist het feit, dat Colá Debrot zich in dit werk doet kennen als een 
romanticus pur sang". Zijn latere werken, die alle iets cerebraals hebben 
meegekregen (ik denk aan Bid voor Camille Willocq") overtuigen mij veel 
minder. Zelfs het luchtige "Bokaal aan de lippen" heeft iets krampachtigs. 

Zijn gedichtenbundeltjes vertonen naast zeer gevoelige strofen ook een enkele 
keer iets hoekigs. Debrot is op zijn best als hij zich laat gaan, zoals b. v. in 
deze strofe: 

Ach, alle mensen wegen 

Zij voeren tot de pijn 

Nu moet ik haar verplegen 

Ik die verpleegd wou zijn. . . 

"De Stoep" 


Toen in 1940 het tijdschrift "De Stoep" werd opgericht door Luc Tournier 
(pseudoniem van de arts Chris Engels) lag het kennelijk in de bedoeling om de 
Nederlandse litteratoren die door de oorlog in Nederland hun produkten niet 
kwijt konden, in de gelegenheid te stellen zich te uiten. Verschillende Neder¬ 
landse schrijvers en dichters hebben hiervan dankbaar gebruik gemaakt, zo- 
als b. V. Adriaan van der Veen, Leo Vroman, Jan van Nijlen. De verrassing 
van De Stoep" bestaat echter hierin, dat een paar Antilliaanse landgenoten, 
lieden waarmee je bijna dagelijks in aanraking kwam en van wiens dichterlijke 
ader geen mens praktisch een flauwe notie had, zich plotseling aandienden. De 
belangrijkste zijn Oda Blinder, Charles Corsen en Tip Marugg. Oda Blinder 
(pseudoniem van Yolanda Corsen, een kleindochter van meergenoemde Joseph 
Sickman) weeklaagt in veel van haar gedichten over een niet beantwoorde liefde: 

Geschonken heb ik 
mijn stille hoop 
door vrees geboren 
laat me liefste 
als het kan 
je wrede passie 
toebehoren. 

Haar broer Charles C orsen is surrealistischer zoals b. v. in "Kreeft en chocolade". 

In een geel land met gele bomen 

gesluierd in oranje toog 

met eeltwormen in mijn hersens, vloog 

ik op een lege tube 

door een zeer klein sleutelgat. 






8 


De dichter Tip Marugg, die een paar prachtige gedichten op zijn naam heeft 
staan, heeft met het boek "Weekend Pelgrimage^’ (redactie r onlangs is ver¬ 
schenen zijn tweede roman "in de straten van Tepalka") de sfeer en de een¬ 
zaamheid van een vrijgezel op Curaçao zo pregnant getekend, dat ik de ver¬ 
zoeking dan ook moeilijk kan weerstaan om een klein fragment weer te geven: 
"Soms droom ik van een klein, rustig eiland, een eiland met een altijd blauwe 
hemel en omringd door een altijd blauwe zee en met veel zon. Dan realiseer 
ik mij plotseling hoe belachelijk deze wensdroom is : ik woon op zulk een 
eiland met blauwe hemel, blauwe zee en zon. Ligt het dan dus niet aan de 
plaats, maar aan mijzelf? Nogal wiedes, ik heb dat toch altijd geweten! Ik 
heb voldoende boeken over psychiatrie en dergelijke aanverwante onderwerpen 
gelezen. Droom je van een heerlijke ontvluchting naar een zonnig eiland? Dan 
is dat eiland uit je dromen het symbool voor de nog onbekende landschappen 
in je eigen ziel. Klaar als een klontje! 

heimwee en weemoed 

In de vijftiger járen zijn het vooral de dichteres Alette Beaujon en de dichter* 
Frank Martinus Arion, die de aandacht vragen. Terwijl in de gedichten van de 
eerste duidelijk een heimwee naar de Antillen herkenbaar is, een romantisch 
verlangen naar een onbezorgde jeugd doorklinkt, treffen wij bij Martinus Arion 
aan een weemoed naar het land van herkomst van de neger. De titels van de 
bundeltjes spreken voor zichzelf: Alette Beaujon publiceerde "Gedichten aan 
de Baai en elders", van Frank Martinus verscheen "Stemmen uit Afrika". 

Eén van zijn gedichten laat ik hier volgen: 

Eens zijn alle negers 
tamtammend uitgevaren 
uit hun zwart-ompaalde 
negorijen. 

hun prauwen schoten 
over de rivieren 
dwalend door het woud. 

eens, maar eens is ver 
en eens is langgeleden. 

nu gaan zij als karbouwen 
mak-geslagen, lam, 
beroofd van hun tam-tam 
en slepen stenen aan 
waar anderen bouwen. 

De meest bekende Antilliaan die in het Nederlands publiceert, is ongetwijfeld 
Boeli van Leeuwen. Hij is dus niet wat velen ten onrechte menen, een op 
Curaçao woonachtige Nederlandse auteur, maar een geboren en getogen 
Curaçaoenaar, met een grote liefde voor zijn land, een liefde, die het hem 
mogelijk maakt de juiste atmosfeer te scheppen. Voor zijn debuut "De rots der 
struikeling" ontving hij de Vijverbergprijs. Later volgden "Een vreemdeling 
op aarde" en "De eerste Adam". Wanneer Jan Greshoff in een recensie over 
"De rots der Struikeling" spreekt van "mengsel van welslagen en mislukking" 
dan heeft hij op het oog, het feit, dat dit boek, evenals trouwens de beide an¬ 
dere, authentiek en fascinerend is, maar qua stijl naast prachtige, onvoor¬ 
stelbaar mooie passages mankgaat aan volkomen onnodige slordigheden. 



9 


Indachtig het adagium "le style c'est 1'homme" zal ik de laatste ziin om hem 
dit kwalijk te nemen. 

"Een vreemdeling op aarde*' 

Ik moge besluiten met een fragment, uit "Een vreemdeling op aarde", waarin 
Boeli van Leeuwen een beschrijving geeft van Curaçao, die moeilijk te over¬ 
treffen IS: 

Het schip voer tussen de oude forten de haven binnen: in de verte schitterden 
de olietanks in het jonge morgenlicht en tegen de blauw-grijze lucht hingen 
rookpluimen. In de snelklarende hemel was de eeuwige vlam nog net zichtbaar 
De brug lag als een verstijfde rups in het water langs het Brionplein In de 
straten reden een paar auto's; aan de De Ruyterkade bolden de tentzeilen van 
de Venezolaanse barkjes boven de straat. Schepen langs de kaden: op de tan¬ 
kers ma^en die geeuwend hun groezelige shorts optrokken, waarna ze zich 
loom onder de oksels krabden. Toen begon het schip te sidderen als een dier 
in nood en de kielzog werd troebel door het zand, dat door de achteruitslaande 
schroef omhoog werd gestuwd. Langzaam dreef het schip, gevangen in gebogen 
lijnen, op de kade toe. Hij zag lorries en vrachtauto's staan wachten: douane- 
personeel in lichtbruine uniformen met aktetassen onder de arm. Kékb met 
wie hij als jongen in de klas had gezeten, stond ook te wachten; hij kwam voor 
de agent inklaren. Hij zag er mager en goor uit en had een kromme rug ge¬ 
kregen die van voren, in een sierlijke boog, overging in een hangbuik. God 
allemachtig, dacht hij geschrokken, ben ik ook in die paar jaar zo verouderd*? 
Toen de meertouwen rond de stalen dukdalven werden aangetrokken, zag hii 
achter het raam van een huurauto het gezicht van zijn vader". 


drs. J. Ph. de Palm 


IN DE STRATEN VAN TEPALKA 


De lichtgroene maan 
blinkt 

op dit verplichte zwijgen; 
geen zucht verbreekt de aureool 
die ik om uw lichaam vlocht. 

Witte vlokken 

zwemmen in mijn ziel 

naar het schuim in de lach der sterren 

en voegen zich bij de begeerten 

die elke dag weer sterven. 

Schaduwen schuiven. 

Een lichtstraal 
brandt tot op mijn huid. 

In de straten van Tepalka 
braken vrouwen dobbelstenen. 


Tip Marugg 








10 


DOBBELSTENEN IN TEPALKA 
Cartomantica 


Ik heb melk gedronken 
en een berg beklommen 
maar vond niet het hazenpad 
waar Eros had gesluimerd. 

Tussen twee paardenpoten door 
had de avondwind gewaaid 
tot op mijn ruige borst. 

Zo te sterven. 

Tussen harde rotsen 

met het zonlicht in mijn ogen. 


Tip Marugg 


Twee Kwatrijnen 

Schoon gelijk een schutblad 
betrad ik ’t kronkelig pad 
dat voerde naar Boven; 
de kroeg was nog open. 

Ik heb gevaren in uw schoot 
en zeeziek van de schommelingen 
gelachen om de dommelingen 
die bang zijn van de dood. 


Tip Marugg 


In de Goot 
Ach, 

neem de hemel als getuige 
dwing de ketter naar omlaag. 
Speel met knikkers 
aan je lichaam 

en graaf een kuil voor je’man. 
Het bij werk aan je body 
verricht een ander later wel. 


Tip Marugg 










11 


OP DE BANK IN HET PARK 


Lang zat ze op de bank in het park 

en wachtte - 

de zon kwam op; 

de wind zaaide zwarte vlinders 

tussen knekels van een hond. 

Een schrale kip 
bond 

een worm een strik om de hals; 
een vogel viel uit 
hel hoog en 
vals 

met dubbele trillers 
van vergane rijkdomm¬ 
en toch zat ze daar op de bank in het park, 
en wachtte - 
de sterren 

spraken bedekt mijn naam, 
de grond werd vochtig, 
tezaam 

met dauw en morgen wind 
sprongen de vliegen 
uit moerassen 
van de dromen op, 
ze dansten 

(de vlinders vormden allang een krans) 

mijn smarten 

uit 

voor de nacht, 
de zon nam hun beden, 
en deed hen vergeten 
dat na de zon 
nog een zon 

van een zon zal schijnen, 
maar tussen dit hels en hemels lawaai, 
steeds zat ze op de bank in het park 
en wachtte. 


Charles Corsen 





12 


De warmte van Curaçao 


Grijs 

Is de bodem 
De grond 
Het gebladerte 

Want de divi-divi heeft geen water 
De zon verscheurt de wolken 
Een geit eet rotsen 
En bedriegt de Dood 
Alleen de cactus heeft water 
Maar de cactus heeft naalden. 

De Noordoost-passaat is een vrouw 

Die met koele hand streelt 

De windmolens traag draait 

Maar het water meevoert 

Over de heuvels 

Weg van de rotsen 

En het hijgende zand 

Dat bloedt 

Korstig openbarst. 

Mijn wonde. 


Henk Dennert 


De ontwortelden 


Hun land is Caribisch tropen 

Hun land is koud Europa 

Hun land is ver, onbekend Afrika 

Zij zijn blank en zwart 

In het nieuwe land 

Dat zij zelf zijn 

Met hun dozijn vreemde cultuurpatronen. 

Hun ritme klinkt uit Goudkust-Guinée 

Hun melodie uit Wenen en Parijs 

Hun taal is een gemengd idee 

Van neger, jood, zweed en brabander 

Voor de nieuwe mens 

Die zij eigenlijk zijn 

Met hun stille, vragende gedachten. 


Henk Dennert 






13 


Orïgenes y evolución del Papiamentu : Pr. H.L.A. van Wijk 


No aspira este artïculo a dar una caracterización completa del Papiamentu, 
sino sólo a esbozar los orïgenes y la evolución de tan curiosa lengua. Las 
opiniones de los lingüistas sobre los orïgenes y composición del Papiamentu 
muestran gran divergencia. Buena prueba de ello son las definiciones del 
curazoleño que nos encontramos en enciclopedias: "holandés chapurreado por 
los indïgenas de las Indias Occidentales", "español corrompido”, "negro- 
español^, "una jerga a base principalmente de un castellano simplificado", 

"a mixture of Dutch, Spanish, English, French, Portuguese, African and 
Indian", "un idioma compuesto principalmente de elementos castellanos y 
holandés es" y otros por el estilo. 

Segdn los datos de que dispongo, la más antigua definición del Papiamentu la 
debemos al Padre Alexius Schabel, que durante muchos años ejerció su 
apostolado entre los indios de Venezuela y hacia 1704, tras una breve estancia 
en Curazao, escribió que los esclavos negros de esta isla hablaban un español 
chapurreado. 

A principios del siglo XIX, el ministro protestante G. P. Bosch, nombrado en 
Curazao en 1815, expuso la opinión de que una "lengua" como el Papiamentu 
es perjudicial para el desarrollo de la inteligencia y para el conocimiento del 
holandés. 

Si el ministro protestante Bosch calificaba el Papiamentu de lengua, ya fuera 
ello, aña diendo el epïteto de perjudicial, el curazoleño Abraham Jessurun 
llegó más lejos en su crïtica aiirmando en la Segunda Memoria de la "Ge¬ 
schiedkundige-, Taal-, Land- en Volkenkundig Genootschap (=Sociedad de 
Historia, Lingüistica, Geografïa y Etnograffa) de 1898 simple y escuetamente: 
"El Papiamentu no es lengua". Un diputado de los Estados de Curazao pro- 
clamó hace pocos años que el Papiamentu no es idioma independiente, sino 
un "patois". 

Como vemos, reina, pues, en el campo de los lingüistas y estudiosos gran 
diversidad de opiniones en cuanto a los orïgenes del vehïculo de expresión 
que queda limitado a las tres islas de Sotavento. (Aruba, Bonaire y Curazao; 
red. ) 

Con razón observa el Sr. , W. J. van Balen, el gran conocedor de las naciones 
de habla española y portuguesa, en su estudio '^apiamentoe en Portugees" que 
todos los autores que se han aventurado a lanzar teorïas sobre los orïgenes 
del Papiamentu y sobre los diversos elementos que integran este idioma, 
carecfan de sólido conocimiento del Portugués. 

"La mayor parte de los que se han ocupado de este tema estaban más o menos 
familiarizados con el español, pero no con la otra importante lengua ibero- 
románica, el portugués y esta limitación de horizontes los ha impulsado una 
y otra vez hacia el origen español del Papiamentu", añade van Balen. 

Como después se verá, estoy de completo acuerdo con v. Balen en reconocerle 
a la lengua coloquial antillana una amplia base portuguesa, al mismo tiempo 
se hará patente que discrepo de él en cuanto a atribuir tal base exclusivamente 
a los "judïbs portugueses" (como se designa generalmente a los sefardïes que 
hubieron de salir de la Penïhsula a partir de fines del siglo XV) procedentes 
de Holanda, que en la segunda mitad del siglo XVII buscaron refugio en 
Curazao y oriundos en parte de la metrópoli; en parte expulsados del Brasil, 
donde se habïkn establecido primer o. 

Pasemos ahora a considerar el medio histórico y social en el que se formó y 
evolucionó el Papiamentu de jerga de esclavos a lengua de uso general, incluso 
a lengua cultural. 

Curazao fue descubierto en 1499 por el capitán espafiol Alonso de Ojeda, uno 





14 


de los que acompañaban a Colón. No fue sometida oficialmente a la jurisdic- 
ción española la isla hasta 1527, año en que Juan de Ampies la incorporó al 
imperio juntamente con las de Aruba y Bonaire. Los conquistadores impusieron 
SU lengua a la población india que poblaba las islas de Sotavento, denominación 
en que las agruparon. Asf tenemos que los indios de Curazao y Bonaire, que 
en 1634 hicieron relacidn en Venezuela del desembarco de los holandeses, se 
expresaban en buen castellano, aunque no sabib-n escribirlo, prueba elocuente 
de lo intenso de la labor de difusión lingüistica realizada por los conquista¬ 
dores españoles entre la población indïgena cuya suerte, por lo demás, no les 
preocupaba gran cosa. En efecto, al lado de otros ricos territorios Curazao 
carecia de importancia para España, de forma que la guarnición esparfola de 
esta isla era reducidïsima. Sin embargo, el dominio de las islas de Sotavento 
por España no habïa de ser de larga duración, pues ya en 1634 Juan van Wal- 
beeck y Pierre Ie Grand se apoderaron de Curazao sin encontrar resistencia, 
comisionados por la Compañia de las Indias Occidentales, a la cual interesa- 
ban las salinas y madera tintórica y sobre todo la favorable situación estraté- 
gica de la isla. La guarnición española de Curazao, compuesta por 32 hombres, 
fue trasladada al continente sudamericano junto con la mayor parte de la 
población indïgena. La conquista de Curazao dio a los holandeses automática- 
mente la posesión de Aruba y Bonaire. En 1635 sólo quedaban 75 indios en Cura¬ 
zao y en 1695 casi habïan desaparecido. 

Con el cambio de dueño desapareció el castellano de Curazao. Pues, como ya 
hemos dicho, la población autóctona fue expulsada casi totalmente con la 
guarnición española a raïz de la conquista de los holandeses. Los que quedaron 
habïan de ser bien pronto superados ampliamente en ndmero por los esclavos 
negros, traidos de las colonias portuguesas de la costa Occidental de Africa, 
donde desde mediados del siglo XV se hablaba una especie de portugués inter- 
nacionalizado. Este litoral debe de haber albergado gran ndmero de negros, 
nacidos allá, donde permanecïan a vee es mucho tiempo hasta ser vendidos a 
los negreros europeos. 

Como reacción al artïculo de van Balen que acabamos de citar, el Sr. Menkman, 
miembro de la Redacción de la West-lndische Gids (=Guïa de las Indias Occi¬ 
dentales), llamó la atención del articulista y de los lectores en general hacia 
algunas particularidades históricas de las que no queremos dejar de consignar 
las más importantes. Señala Menkman que a mediados del siglo XVIII no era 
aün norma que se compraran los negros en las factorïas holandesas, sino que 
hasta en aquella época los negreros negociaban directamente con los trafican- 
tes y los intermediarios de la costa Occidental de Africa. Y que para ese 
tráfico se requerïa el conocimiento del portugués allá hablado, el llamado 
portugués costeño, se infiere del relato de un pomerano, Joaquïh Nettelbeck, 
que hacia 1750 realizó su primer viaje a bordo de un barco negrero holandés 
y más tarde capitaneó numerosos barcos negreros holandeses que transporta- 
ban esta mercaneïa humana a las Indias Occidentales Holandesas. 

Segdn Nettelbeck esta lengua era una mezela de portugués, inglés, y africano, 
siendo indiscutible el predominio del portugués. "Por lo que se refiere a 
nuestros negreros", continda Menkman, "para ellos regïa la prohibición de 
"conversatie" (=trato) con los pasajeros negros forzados, peho esta prohibición 
se referïa más bien al trato sexual de la tripulación con las esclavas, lo cual 
no obstaba para que en el salón prestaran servicio unas cuantas negras 
jóvenes (las llamadas "damas de palacio"), asflo asegura a lo menos, Nettel¬ 
beck. Por lo tanto, durante los viajes largos (era frecuente que duraran unas 
semanas), precedidos de una estancia a vee es más prolongada aün en el 
litoral africano (juntar un cargamento de esclavos requerïa su tiempo) habfa 
ocasión sobrada para que los blancos y negros llegaran a entenderse y el 
vehïculo de acercamientono puede haber sido otro que el ya citado portugués 


15 


costeño, que también aprendïa la tripulación baja a veces de los marineros 
negros, procedentes ellos de la costa Occidental de Africa. En los barcos 
negreros holandeses era costumbre ocuparse mucho de los pasajeros negros, 
procurarles la máxima distracción posible y mantenerlos en buen estado de 
ánimo, desde luego por consideraciones puramente comerciales. ” Convengo 
con Menkman en que un gran ndmero de esclavos no habrá tenido en efecto 
que aprender el portugnés corrompido, usado en la costa Occidental de Africa 
durante su permanencia a bordo, por la sencilla razdn de que esta lengua les 
era más o menos familiar, pues seria excepcional el caso de que un negro, 
capturado en el interior, fuese a parar directamente a barco negrero. Siendo 
de tan diferentes procedencias y por causa de la diversidad de idiomas los 
esclavos negros sólo podian comunicarse entre sï' valiéndose del portugyés de 
uso general en la costa Occidental de Africa, adaptado a las caracteristicas 
fonéticas, morfológicas y sintácticas de sus propios idiomas. 

Asfvemos, pues, que ya en los centros de tráfico negrero del litoral Occiden¬ 
tal africano fue formándose un portugués acriollado. Al fundar Pedro Stuyve- 
sant en 1647 un centro de comercio negrero en la isla de Curazao, que a más 
de proveer a las colonias espafiolas de esclavos hizo de esta isla un centro de 
la trata de negros de las Indias Occidentales, la evolución del negroportugués, 
traido de Africa por los esclavos, originó allá el Papiamentu. 

Nos sentiriamos inclinados a pensar que este chapurreo de los negros no 
tardarfa en sufrir la influencia del holandés, lengua oficial de aquellos terri- 
torios; lejos de ello, basta finales del siglo XIX la lengua de uso corriente en 
las Antillas fue modificada sólo en grado muy reducido por el neerlandés, si 
exceptuamos el vocabulario que como complemento indispensable tomó el 
Papiamentu de aqu él. Este fenómeno tiene su explicación en el hecho de que 
los holandeses nunca se ban preocupado de difundir su propia lengua, esfor- 
zándose al contrarie, por hacerse con la de los pueblos sometidos. Asf es 
que en el siglo XVII los capitanes de la flota de la Compañfa de las Indias 
Occidentales estaban bastante familiarizados con el portugués por razén de 
SU frecuente paso por el Africa Occidental y el Brasil. Del mismo modo las 
autoridades militares y civiles de Curazao fueron durante la primera época 
entrenadas en las factorïas brasileñas de la Compañia y si aprendian una 
lengua extranjera, ésta habïa de ser naturalmente el portugués. 

"La empresa curazoleña estaba basta tal punto ligada a la brasileña", dice Menkman, 
"que en la sede holandesa de la Compañia los informes procedentes de Curazao 
se archivaban inicialmente con los documentos recibidos del Brasil. " 

La tripulación de los barcos negreros, que transportaban los negros de la 
costa Occidental de Africa a las Indias Occidentales, sin excluir las Holande- 
sas, temman que conocer el portugués, o al menos la variedad africano-occiden- 
tal de este idioma. Podemos, pues, dar por sentado que casi desde un prin- 
cipio los negros encontraban en Curazao un ambiente en el que se comprendïa 
el chapurreo afroportugués que ellos mismo introdujeran y en el que los amos 
holandeses se expresaban en una jerga lusitana que no se diferenciaba mayor- 
mente del portugués corrompido usado en una extensa zona del litoral del 
Africa Occidental. En estas condiciones el negroportugués importado en 
Curazao no corria peligro de ser suplantado por el neerlandés. 

Otros motivos de la subsistencia de la jerga de esclavos fueron la ampliación 
de las plantaciones, el rápido crecimiento de la población negra, que originó 
una fuerte desproporción entre blancos y negros y el hecho de que los negros 
tuvieron conciencia de que poseian una lengua propia. Los holandeses llevaban 
apenas veinte años en Curazao cuando vinieron a establecerse en la isla los 
primer os "judïbs portugués es" expulsados del Brasil. 

Sabido es que estos israelitas de origen portugués y español, llamados sefar- 
dïes, que hubieron de salir de Portugal fueron llegando a los Pais es Bajos a 



16 


partir del año 1593, y que gran parte de ellos por temor a la Inquisición no 
tardaron en emigrar al Brasil portugués y después a la zona holandesa del 
Brasil. 

Cuando las cosas tomaron alli" un aspecto desfavorable para los holandeses, 
muchos sefardfes cuyo idioma patrio era el portugués pasaron a Curazao. A 
éstos vinieron a unirse más tarde otros muchos colonizadores judibs de habla 
portuguesa, procedentes tanto del Brasil como de Holanda. Excusado es 
decir que parte de los colonizadores no judibs que fueron a Curazao a labrarse 
un porvenir, procedian también del Brasil, de modo que hablaban igualmente 
el portugués. Que los judibs de habla portuguesa establecidos en Curazao han 
contribuibo a la formación y desafricanización de un idioma criollo derivado 
principalmente del portugués, es cosa que nadie pretenderá ni podrá refutar. 
Ahora bien, en mi opinión seria erróneo poner exclusivamente en cuenta de 
estos colonizadores sefardlbs los numerosos elementos lusitanos del Papia- 
mentu. En efecto, su ndmero e influencia inicial en la colonia holandesa - 
en la que el holandés era lengua oficial y en la que dominaba la Iglesia Refor- 
mada Holandesa - no eran bastante grande para eso. Otro argumento que cabe, 
aducir es el escaso caudal de términos de portugués culto y el exces o de 
rasgos africanos que conserva el Papiamentu. En estas condiciones se me 
antoja que el dialecto criollo, formado de la relación entre los amos judaico- 
portugueses y sus esclavos, ha ido diluyéndose poco a poco en la jerga de 
esclavos negros, que a su vez era una derivacién del negroportugués traïdo 
por éstos de Africa. Precisamente la afluencia ininterrumpida de nuevos 
brazos del continente negro contribuyó a retardar el ritmo seguido por 
el proceso de desafricanización de la lengua popular de Curazao. De otro 
modo la población negra de la isla no habria tardado en perder todo contacto con 
SU lengua africana primitiva y todo recuerdo de ella. 

Sin embargo, no hay que buscar los restos lingüïsticos africanos en el voca- 
bulario. La diversidad de idiomas hablados por los negros que iban llegando 
constituia un serio obstáculo para la conservación de voces africanas. 

Des de el momento en que el esclavo curazoleño no sentïa la menor afinidad 
con el negro "bozal", es decir, el negro incivilizado del interior de Africa, 
los restos lingüisticos en el terreno lexicográfico estaban condenados a una 
muerte lenta, aunque segura. 


(continda) 


17 


Nacemento di Cristo contá pa un Wardador di carné ; HUBERT BOOI 


Loke mi por corda ta, cu mi tabata morto cansá e anochi ey, y m'a bai 
tira mi curpa bao di un baranca, pasobra serena tabata cai. 

Mi no por a pega sonjo, pasobra ainda mi por corda cu e carnénan tabata 
masha inquieto y e cachó tabata ladra stroba mi di drumi. 

Den esey m'a tende un suplá di cachu. Mes ora m'a bula lamta, pasobra 
mi sa CU ora cualkie cos pasa, si tin un bestia feroz den becindario, mi com- 
paneronan ta zuta alarma. 

Prome cu mi kie sali for di bao di e baranca, m'a 'ripara cu tur e lugá 
tabata manera di dia cla, y di tur banda mi tabata tende cantamento stranjo. 

Mi kie tira mi bista riba mi otro companeronan, pero na e momento ey 
mi ta tende un zonido manera cu ta baranca ta lora for di seru, y un cantidad 
di claridad ta baha di laira, pone mi casi ciegu. No obstante mi por e distingi 
un multitud grandi di criaturanan desconoci pa mi cu tabata bini di ariba y nan 
tabata bisa tur huntu - mi n' ta corda muchu bon, pero si un cuenta di Dios, 
si. Gloria na Dios.y hopi palabra mas. 

Si, tambe e ültimo palabranan mi por corda, nan tabata menciona 
"hendenan di bon boluntad”. 

Di ripiente a sali un for di e grupo grandisimo. E tabata pará manera 
riba un nubia. 

Y CU un boz cu tabata penetra tur espacio el a bisa : "Awe a nace pa Boso 
e Salbador" y cu pa nos bai tras di e strea, y nos lo haya e lugá caminda e 
Rey a nace. 

Momento cu el a caba di bisa esey, manera cu tur claridad a desparce y 
tambe e criaturanan. 

Ora CU mi hisa mi wowonan na haltu mi ta mira un strea cla, tur na rayo. 

E momento ey m'a recupera. M'a sinti cu sanger a bolbe drenta mi curpa, 
y mi a ripará cu nos tur tabata tembla di miedo. 

E carnénan tabata ketu, ni un zonido mi tabata tende mas. 

Poco poco mi a bini na mi mes, E otrq companeronan a hala yega serca, te 
cu porfin un di nan a kibra e silencio y a propone pa nos sigi e indicacion di e 
criatura celestial y sigi tras di e strea cu tabata briya den firmamento. 

Asina nos a haci. Nos a sigi e strea te yega na un cueba den baranca. Tur e 
lugá tabata iluminá. Mi curazon tabata bati di emoción, y mi rosea tabata 
subi baha. Drentando e cueba mi bista a cai riba un Nino chikitu drumi den un 
baki pa duna bestia cuminda. 

Un señora hoben tabata na rudia dilanti, y tabata yora di alegria, mientras 
SU esposo tabata para mira cu debocion. 

Y di pronto a bolbe bin den mi memoria e palabranan di e criatura celestial 
CU a bisa : "Awe a nace pa Boso e Salbador". 

Nos tur tabata ketu. . . . solamente nos por a scucha e yorá chikitu di e 
Juchi CU tabata sinti friu.